De Beagle

Karakter & Training

De Beagle is een ideale gezinshond maar je moet rekening houden met het zelfstandige & vastberaden karakter. Een Beagle weet hij wat hij wil. Het ras heeft een sterk uitgesproken jachtinstinct. De Beagle ziet er misschien onschuldig uit, maar ze hebben behoefte aan een duidelijkheid en grenzen. Als je een Beagle vanaf dag 1 geen regels en grenzen oplegt en hem of haar hierin begeleidt, moet je er rekening mee houden dat de Beagle gebruikt maakt van deze vrijheid. De Beagle houdt van eten, hier doen ze dan ook alles voor maar zonder grenzen zijn het echte bedelaars en stelen ze het eten. De Beagle heeft regelmatig en veel beweging nodig. De verhouding mentale uitdaging en lichamelijke uitdaging moet goed in balans zijn. Omdat de Beagle een echt roedeldier is, ligt verlatingsangst op de loer. Het is noodzaak het alleen thuis zijn vanaf dag 1 al aan te leren. 

 

Training is een echte noodzaak bij een Beagle. Het belangrijkste in de training van een Beagle pup is rust en de basis in huis goed neerzetten. Denk hierbij aan benchtraining, zindelijkheid, alleen leren zijn & socialiseren. Op een hondenschool zal de Beagle in de puppytijd, niet goed kunnen aarden door alle geuren en de prikkels. Hierdoor kan er frustratie ontstaan, waardoor de het doel van de training verloren gaat. Kies daarom (het liefste) in de eerste maanden voor 1 op 1 training bij jullie thuis. Is er rust, verbinding en regelmaat dan kan een hondenschool een hele mooie 2e training zijn. 

 

Het uiterlijk van de beagle

De Beagle is een middelgrote, compacte hond. Hij kan tot 40 centimeter hoog worden. Een reu weegt tussen de 14 en 17 kg en een teef tussen de 11 en 15 kg. Zijn korte pootjes zijn bijzonder sterk en geven de Beagle snelheid en uithoudingsvermogen. De kop van de Beagle is lang, zijn laaghangende, afgeronde lange oren maken hem bijzonder beroemd. De mees voorkomende kleurvariaties zijn driekleurig in zwart/bruin/wit en tweekleurig bruin/wit, rood/wit, geel/wit.

De korte, glanzende vacht is onderhoudsarm en zelfreinigend. Daarbij is zijn vriendelijke, altijd opstaande staart met witte punt bijzonder makkelijk om in de gaten te houden, wanneer hij rondstruint door de bossen en zijn neus volgt.

Geschiedenis van de Beagle

De Beagle werd jarenlang als jachthond gebruikt, en het fokken gaat terug tot de zogenoemde Humbertushond of Northern hond, die de Noormannen bij de verovering van Groot-Britannië in 1066 bij zich hadden. Rond 1400, werd de Beagle gekruisd met de gevlekte Southern Hound uit Zuid-Frankrijk. Voor de oorspronkelijke fokkers was het verleden als jachthond en de gebruiksmogelijkheden in de jacht belangrijk. De naam ‘Beagle’ verscheen rond 1515 in de huishoudboeken van Koning Henry VIII. In het jaar 1615 wordt voor het eerst een klein hondenras genaamd ‘Little Beagle’ vermeld, welke in de tassen van de jagers paste door zijn kleine formaat. Deze excellente jachthonden worden een goed jachtinstict toegeschreven, het begrip ‘beagling’ betekent een jacht met de steun van een groep honden. Desondanks was de Beagle voor het eerst erkend in het jaar 1890 door de ‘British Kennel Club’.

De rasstandaard beschrijft hoe ‘De Beagle’ eruit moet zien. De rasstandaard is internationaal vastgesteld door de Federation Cynologique Internationale (FCI). Tijdens keuringen dient een keurmeester de honden te beoordelen aan de hand van deze standaard. De standaard is een omschrijving van de perfecte Beagle maar biedt wel enige speelruimte. 

Een rasstandaard en daaraan gekoppeld keuringen zijn belangrijk om een ras ‘te behouden’. 

Algemene uitstraling

Een stevige, compact gebouwde hond, die de indruk van kwaliteit overbrengt zonder grofheid.

Belangrijke verhoudingen

Lengte van het hoofd, tussen het achterhoofd en de punt van de neus, gedeeld door de stop, zo gelijk mogelijk. Hoogte tot elleboog ongeveer halve schofthoogte.

Gedrag en temperament

Een vrolijke hond wiens essentiële functie het is om te jagen, voornamelijk op hazen, door een geur te volgen, met grote activiteit, uithoudingsvermogen en vastberadenheid. Oplettend, intelligent en gelijkmatig temperament. Beminnelijk en alert, zonder agressie of verlegenheid.

Hoofd

Redelijke lengte, krachtig zonder grof te zijn, fijner bij de teef, vrij van frons en rimpels.
De schedel is licht gewelfd, matig breed, met geringe achterhoofdsknobbel. De stop is goed gedefinieerd, lengte zo gelijk mogelijk tussen achterhoofdsknobbel en neuspunt verdeeld. Voorsnuit mag niet spits zijn met redelijk goed hangende lippen.
De kaken moeten sterk zijn, met een perfect, regelmatig en volledig schaargebit, d.w.z. de boventanden moeten sluitend over de ondertanden heen vallen en recht in de kaken staan.
Een brede neus met wijde neusgaten, bij voorkeur zwart, maar minder pigmentatie is toegestaan bij lichter gekleurde honden.
De ogen zijn donkerbruin of hazelnootbruin, tamelijk groot, niet diep of prominent geplaatst, goed uit elkaar geplaatst met een milde, aantrekkelijke uitdrukking.
Lange oren met afgeronde punt, bij uittrekken bijna tot aan het einde van de neus reikend. Laag aangezet, fijn van structuur en sierlijk hangend tegen de wangen.
De hals moet voldoende lang zijn om de hond gemakkelijk te laten ruiken, is licht gewelfd en met weinig keelhuid.

Lichaam

Bovenlijn recht en horizontaal. De borst daalt tot onder de elleboog. Ribben goed gewelfd en goed naar achter doorlopend. Korte rug maar goed in verhouding. Krachtige en soepele lendenen. De buik niet te veel opgetrokken.

Voorhand

Schouder goed naar achteren liggend, niet beladen. Voorbenen recht en goed onder de hond geplaatst, goed van substantie en rond van bot, niet taps toelopend naar de voeten. Middenvoet kort. Stevige ellebogen, niet naar binnen of naar buiten draaiend.

Achterhand

Dijen zeer gespierd. Sprongen (knie) goed gebogen. Sterke, laaggeplaatste hakken en evenwijdig aan elkaar geplaatste middenvoeten.

Voeten

Gesloten en stevig. Goed gebogen tenen en sterke zoolballen. Geen hazenvoet. Nagels kort.

Staart

Stevig, matig lang. Hoog aangezet, vrolijk gedragen maar niet over de rug gekruld of vanaf de wortel naar voren hellend. Goed bedekt met haar, vooral aan de onderkant.

Gang/beweging

Gaat met rechte rug, krachtig gangwerk, zonder neiging tot rollen. Vrije, ver uitgrijpende en recht naar voren gerichte pas, zonder hoge knieactie. Achterbenen tonen stuwkracht. De voorbenen mogen niet maaien of kruisen.

Vacht

Kort, dicht en weerbestendig.

Kleur

Driekleur (zwart, bruin en wit), Blauw, wit en bruin, Daskleur (Badger pied), Haaskleur (Harepied), Citroen pied (Lemon pied), Citroen en wit, Rood en wit, Bruin en wit, Zwart en wit & Helemaal wit
Met uitzondering van een geheel witte hond, kunnen alle bovengenoemde kleuren als mottle (met sproetjes) worden gevonden. Andere kleuren zijn niet toegestaan. Punt van staart wit.

Maat

Gewenste minimale schofthoogte 33 cm.
Gewenste maximale schofthoogte 40 cm.

 

Fouten

Elke afwijking van de voorgaande punten moet als een fout worden beschouwd en de ernst waarmee de fout moet worden beschouwd, moet in exacte verhouding staan tot de mate en het effect ervan op de gezondheid en het welzijn van de hond en op zijn vermogen om zijn traditionele werk.

Diskwalificerende fouten

  • Agressief of overdreven verlegen
    • Elke hond die duidelijk lichamelijke of gedragsafwijkingen vertoont.

NB:

  • Mannelijke dieren moeten twee ogenschijnlijk normale testikels hebben die volledig in het scrotum zijn ingedaald.
    • Voor de fokkerij mogen alleen functioneel en klinisch gezonde honden met rastypisch exterieur worden gebruikt.

In de Verenigde Staten heeft men een eigen standaard die enigszins afwijk van de Engelse standaard. In Nederland hanteren we de standaard van het land van oorsprong: Groot-Brittannië.